
Herman Coenen

Herman Coenen
Schrijven
De tafel in onze huiskamer lag altijd vol stapels boeken. Daartussen zat mijn vader. Toen ik groot genoeg was om op een stoel aan die tafel te passen, zat ik wel eens tegenover hem. Op een keer lag daar de krant. Ik had een potlood en een vel papier voor me en begon de letters van de krantenkop na te tekenen: ‘Op weg naar Berlijn’. Ik was vijf.
Mijn vader keek verbaasd toe. En als onderwijzer van de eerste en tweede klas regelde hij dat ik voortaan elke middag van de kleuterschool naar de ‘grote school’ mocht komen om bij hem te leren schrijven, lezen, rekenen. Op 1 september daaropvolgend begon ik onder zijn hoede aan de tweede klas.
Op mijn tiende schreef ik, ’s avonds op mijn kamer, een opstel voor een wedstrijd waarvan ik op school had gehoord. Het thema: ‘Iemand die ik bewonder’. Kort daarvoor hadden mijn ouders me meegenomen naar een bijeenkomst met lichtbeelden uit de concentratiekampen in de Nazitijd. Diep onder de indruk had ik zitten luisteren aan de zijde van mijn moeder, achter de hoge ruggen van de mensen vóór me. Het ging over een man die in de oorlogsjaren was opgekomen voor de vrijheid van de journalistiek en dat met zijn dood in het kamp had moeten bekopen.
De volgende ochtend nam ik de volgeschreven vellen, gescheurd uit een schriftje, mee naar school. Daar durfde ik er toch niet mee voor de dag te komen. Terwijl ik zenuwachtig over de speelplaats drentelde, viel het vanonder mijn jas op de stoeptegels, waar het door een klasgenoot werd gevonden. Zo belandde het op de lessenaar van de onderwijzer. Die las het en stuurde het op naar de opstelwedstrijd. Ik kreeg de eerste prijs.
Middelbare school. Elke dag vijf kilometer fietsen door de akkers en korenvelden naar de stad in de buurt. Nederlands, Latijn, Grieks, Frans, Duits, Engels, geschiedenis, biologie, wiskunde. Leergierig nam ik het allemaal tot me, maakte tot in de late uren mijn huiswerk. In het vijfde jaar begon ik te schrijven voor het schoolblad, werd lid van de redactie. Stukjes over het leven op school, gewaagde grappen richting pater directeur, uitstapjes naar de grotere wereld. Dromerige gedichten over heimwee en verliefdheid.
Het schrijven is niet meer opgehouden. Samen met het lezen. Filosofie, menswetenschappen, romans, poëzie, kranten, tijdschriften, politieke en maatschappelijke beschouwingen. Voeding voor de nieuwsgierige geest, begaan met de vragen rond ons menselijk bestaan en de zin van dit leven. Die voeding heeft veel artikelen en boeken opgeleverd, onder andere een proefschrift over de grondslagen van de sociale wetenschap denken. Ik doceerde aan de universiteit, gaf lezingen en gastcolleges in Nederland, Europa, de VS, Mexico.
Maar tenslotte is de poëzie komen bovendrijven. Hier ben ik dicht bij mezelf. In mijn gedichten en prozaminiaturen probeer ik mijn liefde voor de vele kleuren van het leven, voor mensen, vogels, bloemen, landschappen, de aarde, de kosmos uit te drukken en woorden te vinden voor het raadselachtige dat zich in alles verschuilt. Zo te schrijven is een levensbehoefte geworden, organisch verbonden met alles wat ik dagelijks meemaak en beleef.